Sneeuwkrullen: luchtig en krokant gebak

1. Maak het deeg
Zeef eerst de bloem op een schoon werkvlak. Door de bloem te zeven worden eventuele klontjes verwijderd en kun je de overige ingrediënten gemakkelijker gelijkmatig door het deeg verwerken. Maak vervolgens met je hand een duidelijk kuiltje in het midden van de bloem.

Voeg de suiker, slagroom, boter, eieren, een snufje zout, het bakpoeder en het citroensap of de wodka toe. Probeer de ingrediënten zoveel mogelijk in en rond het kuiltje te houden, zodat je ze geleidelijk met de bloem kunt mengen.

Meng alles rustig door elkaar. Werk steeds wat bloem vanaf de buitenkant naar het midden totdat de ingrediënten samen beginnen te komen en er een samenhangend deeg ontstaat. Kneed het deeg daarna verder tot het glad en goed hanteerbaar aanvoelt.

Het is belangrijk om tijdens het kneden vooral op de structuur van het deeg te letten. Het uiteindelijke deeg moet stevig genoeg zijn om later dun te kunnen uitrollen en in nette repen te kunnen snijden. De consistentie hoort ongeveer op die van pastadeeg te lijken.
Is het deeg tijdens het kneden nog duidelijk plakkerig, dan kun je wat extra bloem toevoegen. Doe dit voorzichtig en alleen wanneer dat nodig is. Het doel is een soepel, stevig deeg dat gemakkelijk te verwerken is en niet voortdurend aan het werkvlak of je handen blijft kleven.

2. Laat het deeg rusten
Laat het deeg ongeveer een uur rusten. Deze rusttijd kan eventueel worden overgeslagen, maar het resultaat wordt beter wanneer je het deeg wel de gelegenheid geeft om even te rusten.

Na het rusten is het deeg klaar om verder te verwerken. Leg het opnieuw op het werkvlak en controleer of het gemakkelijk kan worden uitgerold zonder sterk te blijven plakken. Werk rustig, want voor de typische lichte sneeuwkrullen moet het deeg uiteindelijk tot een dunne plak worden uitgerold.

3. Uitrollen en vormen
Rol het deeg uit tot een dunne, gelijkmatige plak. Probeer overal ongeveer dezelfde dikte aan te houden. Dat helpt om de afzonderlijke sneeuwkrullen tijdens het frituren zo gelijkmatig mogelijk te laten garen.

Snijd de uitgerolde deegplak met een mes of deegwiel in repen van ongeveer 3 cm breed en 10 tot 15 cm lang. Door de repen ongeveer hetzelfde formaat te geven, krijg je niet alleen een mooiere schaal met gebakjes, maar zijn ze tijdens het frituren ook gemakkelijker tegelijk in de gaten te houden.

Maak vervolgens in het midden van iedere reep in de lengterichting een inkeping van ongeveer 4 tot 5 cm. Zorg ervoor dat je niet helemaal tot aan de uiteinden snijdt: de reep moet één geheel blijven.

Pak daarna één uiteinde van de deegreep en haal dit voorzichtig door de opening in het midden. Hierdoor ontstaat de herkenbare gedraaide vorm van de sneeuwkrul. Trek het deeg niet te hard uit elkaar; de vorm mag luchtig en los blijven.

Ga op dezelfde manier verder totdat alle repen zijn gevormd. Werk zorgvuldig, zodat de repen niet aan elkaar gaan kleven voordat ze worden gefrituurd.

Sneeuwkrullen frituren
4. Bak ze goudbruin
Verhit het vet waarin de sneeuwkrullen worden gefrituurd. Zodra het vet klaar is voor gebruik, kunnen de gevormde deegrepen worden gebakken. Werk rustig en zorg ervoor dat de sneeuwkrullen voldoende ruimte hebben om vrij te kunnen frituren.

Frituur de gebakjes totdat ze aan beide kanten mooi goudbruin zijn. Let daarbij vooral op hun kleur. De buitenkant moet een gelijkmatige goudbruine tint krijgen, terwijl de dunne vorm ervoor zorgt dat de sneeuwkrullen hun kenmerkende krokante karakter ontwikkelen.

Draai de gebakjes indien nodig voorzichtig zodat beide kanten gelijkmatig bakken. Houd ze tijdens het frituren goed in de gaten, omdat dun uitgerold deeg relatief snel van licht naar goudbruin kan verkleuren.

Haal de goudbruine sneeuwkrullen uit het vet en laat overtollig vet goed afdruipen. Leg ze vervolgens op keukenpapier. Het keukenpapier neemt het vet aan de buitenkant op, waardoor de gebakjes prettiger en krokanter blijven.

Laat de sneeuwkrullen niet volledig afkoelen voordat je verdergaat met de suikerlaag. Ze mogen nog warm zijn wanneer ze worden bestrooid.

De zoete afwerking
Meng de 120 g poedersuiker met het zakje vanillesuiker. De vanillesuiker geeft de klassieke zoete afwerking een zachte vanillesmaak die goed bij het eenvoudige gefrituurde deeg past.

Bestrooi de nog warme sneeuwkrullen royaal met het mengsel van poedersuiker en vanillesuiker. Zorg ervoor dat de suiker mooi over de verschillende kronkels en oppervlakken van het gebak wordt verdeeld.

De witte poedersuiker geeft de goudbruine gebakjes bovendien hun karakteristieke winterse uiterlijk. Het contrast tussen het goudbruine deeg en de witte suikerlaag is precies wat deze eenvoudige lekkernij zo herkenbaar maakt.
Serveren
Met deze hoeveelheden maak je ongeveer 50 tot 60 gebakjes. Leg de afgewerkte sneeuwkrullen op een schaal en serveer ze wanneer de poedersuiker mooi over het gebak verdeeld is.

De lekkerste sneeuwkrullen combineren een dunne, krokante structuur met een royale zoete afwerking. De buitenkant is goudbruin, terwijl de poedersuiker en vanillesuiker voor de kenmerkende zoete smaak zorgen.

Tips voor een mooi resultaat
Rol het deeg dun en zo gelijkmatig mogelijk uit.
Snijd de repen ongeveer 3 cm breed en 10 tot 15 cm lang, zoals in het recept aangegeven.
Maak de inkeping in het midden ongeveer 4 tot 5 cm lang en snijd de reep niet volledig door.
Haal één uiteinde voorzichtig door de opening zonder het deeg onnodig uit te rekken.
Frituur de sneeuwkrullen tot beide kanten gelijkmatig goudbruin zijn.
Laat de gebakjes na het frituren goed uitlekken op keukenpapier.
Bestrooi ze terwijl ze nog warm zijn royaal met het mengsel van poedersuiker en vanillesuiker.
En dan blijft alleen het moeilijkste gedeelte nog over: proberen ze niet allemaal zelf op te eten. Deze heerlijke “sneeuwspiralen” zijn krokant, zoet en verleidelijk lekker. Eet smakelijk!

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *