Deze kleine appeltaartjes combineren een zachte, licht gekruide appelvulling met een bros en boterachtig zanddeeg. Door de appels eerst kort te bakken met suiker en kaneel krijgen ze een warme, volle smaak, terwijl ze tegelijkertijd voldoende structuur behouden om de gebakjes mooi te kunnen vullen.
Het recept is eenvoudig opgebouwd en gebruikt slechts een beperkt aantal ingrediënten. Juist daardoor is het belangrijk om elke stap rustig uit te voeren. Vooral de temperatuur van de boter, het rusten van het deeg en het volledig laten afkoelen van de appelvulling dragen bij aan een deeg dat gemakkelijk uit te rollen is en tijdens het bakken mooi zijn vorm behoudt.
De gebakjes worden als kleine halve maantjes gevormd. Daardoor zijn ze gemakkelijk te serveren bij koffie of thee en vormen ze een handzaam alternatief voor een grote appeltaart. Ze zijn zowel warm als koud lekker en kunnen na het afkoelen eenvoudig met poedersuiker worden afgewerkt.
Ingrediënten
3 middelgrote appels, bij voorkeur zure appels, bijvoorbeeld Goudrenet
2 eetlepels suiker, of erythritol voor de genoemde alternatieve versie
1 theelepel kaneel
100 g koude boter
1 eidooier
50 ml room met 18% vet
200 g tarwebloem
Een snufje zout
Poedersuiker om te bestuiven
Bereiding
1. De appelvulling bereiden
Schil de appels zorgvuldig en verwijder de klokhuizen. Snijd het vruchtvlees vervolgens in kleine stukjes. Probeer de stukjes ongeveer even groot te maken, zodat ze tijdens het bakken gelijkmatig zacht worden. Ze hoeven niet perfect identiek te zijn, maar grote verschillen in formaat kunnen ervoor zorgen dat sommige stukjes al heel zacht zijn terwijl andere nog stevig blijven.
Doe de appelstukjes in een pan en voeg de suiker en kaneel toe. Verwarm het geheel op laag vuur. Door de temperatuur rustig te houden, kunnen de appels geleidelijk zachter worden zonder dat ze meteen uit elkaar vallen. Roer regelmatig voorzichtig door de pan, zodat de suiker en kaneel zich goed over alle stukjes verdelen.
Bak de appels enkele minuten, precies zoals in het oorspronkelijke recept aangegeven. Het doel is niet om appelmoes te maken. De stukjes mogen zachter worden, maar moeten nog duidelijk herkenbaar blijven. Wanneer je er met een lepel doorheen roert, moeten ze hun vorm grotendeels behouden.
De kaneel verspreidt tijdens het verwarmen zijn typische warme aroma door de appels. Tegelijkertijd lost de suiker op en mengt deze zich met het vocht dat uit het fruit vrijkomt. Daardoor ontstaat een sappige, geurige vulling zonder dat daarvoor extra ingrediënten nodig zijn.
Haal de pan van het vuur zodra de appels zacht genoeg zijn maar nog niet uit elkaar vallen. Zet de vulling apart en laat deze volledig afkoelen voordat je de koekjes gaat vullen. Dat is belangrijk, omdat een warme vulling het koude zanddeeg zachter en moeilijker hanteerbaar kan maken.
Gebruik de rusttijd van de vulling om het deeg te bereiden. Wanneer zowel de vulling als het deeg op het juiste moment klaarstaan, wordt het vormen van de gebakjes een stuk eenvoudiger.
2. Het zanddeeg bereiden
Doe de tarwebloem en het snufje zout in een kom. Snijd de koude boter in blokjes en voeg deze toe. De boter moet koud blijven, omdat dit helpt om het deeg na het bakken die typische brosse structuur te geven.
Wrijf de boter met je vingertoppen door de bloem. Werk rustig en probeer de boter niet onnodig lang met warme handen te bewerken. Ga door totdat het mengsel eruitziet als grove kruimels. Het hoeft op dit moment nog geen samenhangend deeg te vormen.
Voeg vervolgens de eidooier en de 50 ml room toe. Meng alles en kneed het daarna kort tot een glad deeg. Zodra het deeg samenhangt en er geen losse droge bloem meer zichtbaar is, is verder lang kneden niet nodig.
Het deeg moet soepel genoeg zijn om later uit te rollen, maar stevig genoeg blijven om de appelvulling te kunnen omsluiten. Als het door het kneden wat zachter is geworden, wordt dat tijdens het rusten in de koelkast weer gecorrigeerd.
Vorm het deeg tot een compacte massa en wikkel het in plasticfolie. Leg het vervolgens 30 minuten in de koelkast. Deze rusttijd hoort bij het recept en is belangrijk: het deeg wordt steviger, waardoor het gemakkelijker dun kan worden uitgerold en de uitgestoken cirkels beter hanteerbaar zijn.
Probeer deze rusttijd niet over te slaan. Een te zacht deeg kan aan het werkoppervlak blijven plakken, vervormen tijdens het vullen of lastiger dicht te drukken zijn. Na 30 minuten hoort het deeg duidelijk koeler en steviger aan te voelen.
3. De koekjes vormen
Haal het gekoelde deeg uit de koelkast en rol het uit tot een dikte van ongeveer 3 mm. Werk gelijkmatig, zodat de gebakjes later ongeveer dezelfde dikte hebben. Te dikke stukken kunnen zwaarder blijven, terwijl heel dun uitgerolde delen gemakkelijker kunnen scheuren tijdens het vullen.
Steek cirkels uit het deeg met een glas of een uitsteekvormpje. Probeer de cirkels netjes uit het uitgerolde deeg te halen en leg ze op een vlak oppervlak voordat je de vulling toevoegt.
Leg ongeveer een theelepel van de afgekoelde appelvulling in het midden van iedere deegcirkel. Houd voldoende ruimte langs de rand vrij. Wanneer er te veel vulling wordt gebruikt, kan het lastiger worden om het deeg netjes dubbel te vouwen en volledig te sluiten.
Vouw iedere cirkel voorzichtig dubbel zodat een halve maan ontstaat. Druk de randen rustig tegen elkaar. Werk van het ene uiteinde naar het andere en controleer of de vulling binnen het deeg blijft.
De randen hoeven niet hard platgedrukt te worden; het belangrijkste is dat ze voldoende gesloten zijn om de appelstukjes tijdens het bakken binnenin te houden. Als er wat vulling te dicht bij de rand terechtkomt, verwijder die dan voorzichtig voordat je het deeg dichtdrukt.
Werk op dezelfde manier verder totdat het deeg en de vulling zijn gebruikt. Probeer de gevormde gebakjes ongeveer gelijk van formaat te houden, zodat ze tijdens het bakken zo gelijkmatig mogelijk kleuren.
4. De mini-appeltaartjes bakken
Bekleed een bakplaat met bakpapier en leg de gevormde gebakjes erop. Laat een beetje ruimte tussen de afzonderlijke taartjes, zodat ze gemakkelijk op de bakplaat kunnen worden gelegd en later zonder beschadiging kunnen worden verwijderd.
Verwarm de oven voor op 180°C. Plaats de bakplaat pas in de oven wanneer deze goed is voorverwarmd. Zo begint het deeg meteen onder de bedoelde baktemperatuur te garen en kan het gelijkmatig stevig en goudbruin worden.
